De harde waarheid: de weg bepaalt de prestaties, maar de bedrijfsvoering bepaalt het verschil
Wat uit Geotabs eerste Europese vrachtvervoersefficiëntie-index naar voren komt, is een verschuiving in hoe we efficiëntie in het vrachtvervoer moeten zien: weg van de dagelijkse files en meer naar de infrastructuur die bepaalt hoe men door de stad beweegt.
In Berlijn zorgt een gedecentraliseerde indeling er bijvoorbeeld voor dat het verkeer over meerdere routes wordt verdeeld, waardoor een vloeiend netwerk ontstaat dat de hele dag stabiel blijft. In Amsterdam zorgen een compacte inrichting en optimalisatie van de verkeerslichten ervoor dat voertuigen blijven rijden in plaats van in de file te staan, ook al is dat vaak traag.
Maar infrastructuur is slechts een deel van het plaatje. Hoe wagenparkbeheerders plannen, roosteren en zich aanpassen aan het netwerk waarin ze opereren, is even belangrijk. Steden als Londen, Parijs en Madrid laten zien dat congestie op zich niet het doorslaggevende probleem is – onvoorspelbaarheid is dat wel. En voor wagenparken creëert die onvoorspelbaarheid wat de Geotab-gegevens aangeven als een ‘structurele belasting’: extra buffertijd, verstoorde leveringsvensters en verloren efficiëntie die niet zomaar door een betere routeplanning of chauffeurstraining kunnen worden opgelost.
Op een fundamenteel, en misschien contra-intuïtief niveau, kunnen steden waarin langzaam wordt gereden nog altijd als efficiënt worden beschouwd, zolang men er maar kan blijven rijden. Rome combineert bijvoorbeeld hoge congestie met een van de laagste niveaus van stationair draaien, omdat het verkeer in een continue kruipstroom rijdt in plaats van een stop-startpatroon. Londen bevindt zich daarentegen aan de andere kant van het spectrum. Daar zorgen herhaaldelijk stoppen en starten tot inefficiëntie, brandstofverspilling en uitstoot.
Edward Kulperger, Senior Vice President EMEA bij Geotab: “Stedelijk vrachtvervoer wordt altijd bekeken vanuit het perspectief van verkeersopstoppingen: hoe druk het in een stad is en hoe traag het verkeer tijdens de spits wordt. Wat deze index laat zien, is dat het echte probleem dieper ligt. Het gaat niet alleen om de hoeveelheid verkeer, maar ook om hoe dat verkeer zich gedraagt. In de meest efficiënte steden verloopt het verkeer consistent en voorspelbaar. In de minst efficiënte steden raakt het gefragmenteerd – en die versnippering heeft een directe impact op de kosten, de uitstoot en het vermogen van wagenparken om effectief te opereren.”
“Voor wagenparkbeheerders is onvoorspelbaarheid een van de meest uitdagende factoren om te beheersen. Je kunt rekening houden met files, je kunt bekende vertragingen omzeilen, maar wanneer de reistijden van dag tot dag aanzienlijk variëren, ontstaat er een sneeuwbaleffect in de hele bedrijfsvoering. Dankzij verbonden voertuig-data krijgen we inzicht in hoe stedelijk verkeer zich daadwerkelijk gedraagt en waar inefficiëntie ontstaat. Die zichtbaarheid stelt wagenparken, steden en beleidsmakers in staat om beter geïnformeerde beslissingen te nemen over de ontwikkeling van stedelijke vervoerssystemen.”
Methodologie
De Europese index voor Efficiëntie van Stedelijk Vrachtvervoer beoordeelt elke stad op een schaal van 0 tot 100, op basis van twee dimensies die afzonderlijk worden geëvalueerd voor personenauto’s en vrachtwagens, en vervolgens worden gecombineerd met een weging van 60/40 (personenauto’s/vrachtwagens) om weer te geven dat het grootste deel van de verkeersvraag afkomstig is van personenauto’s, terwijl de vrachtwagencomponent specifiek de logistieke efficiëntie weergeeft.
De eerste dimensie, hoe het verkeer stroomt, is goed voor 75 procent van de score van elk voertuig en meet drie zaken: congestiebelasting (cumulatieve congestie gedurende de dag, goed voor 50 procent van de score), congestievrije periodes (uren per dag met vrij stromend verkeer, 25 procent weging) en variabiliteit in reistijd (voorspelbaarheid van de reistijd, 25 procent weging).
De tweede dimensie, de kosten van congestie, is goed voor de resterende 25 procent van de totaalscore en meet het stationair draaien van voertuigen tijdens de rit als maatstaf voor de verspilling die door het systeem wordt veroorzaakt. Hogere percentages voor dat criterium duiden op congestie, slechte verkeerslichttiming en knelpunten.
De brandstofkosten voor stationair draaien zijn geschat op basis van de gemiddelde pompprijzen voor 2025 uit het Weekly Oil Bulletin van de Europese Commissie voor EU-steden en de dataset Weekly Road Fuel Prices van de Britse overheid voor Londen, omgerekend tegen de gemiddelde GBP/EUR-koers voor 2025.
Alle scores zijn gebaseerd op gegevens over het volledige jaar 2025 (januari–december) van het platform voor verbonden voertuigen van Geotab in zeven steden: Berlijn, Amsterdam, Dublin, Rome, Parijs, Londen en Madrid. De scores vertegenwoordigen genormaliseerde, relatieve vergelijkingen op basis van een steekproef van verbonden voertuigen, niet een volledige telling.